Schouder Anatomie

De schouder is één van de belangrijkste delen van het lichaam. En zonder dat je het zelf doorhebt, gebruik je dit gewricht de hele dag door. Bij het douchen, bij het koken, bij het autorijden en ga zo maar door. Het is dus interessant om te weten te komen hoe die schouder er nu precies uitziet en hoe alle spieren, pezen en botten met elkaar samenwerken.

Botten

De bovenarm (Latijn: humerus) en het schouderblad (scapulae) worden met elkaar verbonden door de schouder (articulatio humeri). Aan de kant van de bovenarm zit een ‘kop’, deze valt in de ‘kom’ van het schouderblad (cavitas glenoidalis), waardoor de arm veel kanten op kan bewegen. De kom is echter een stuk kleiner dan de kop, het verschil wordt deels overbrugd door een kraakbeenring (de labrum articulare).

De bewegingsvrijheid van de bovenarm wordt ook mogelijk gemaakt door de schoudergordel, die bestaat uit het schouderblad en het sleutelbeen (clavicula). Het gewricht is echter niet volledig stabiel, het kan makkelijk uit de kom ‘schieten’ (luxatie). De zogeheten rotatorcuffspieren (ook wel rotatorenmanchet, zie ‘Spieren’) voorkomen dat de kop en kom echt los van elkaar komen.

Bindweefsel

Om de botten heen zit bindweefsel heen. Al het bindweefsel in de schouder vormt het gewrichtskapsel. In dit kapsel zitten verdikkingen, ligamenten genoemd. In de schouder zitten drie ligamenten:

  • Ligamentum coracohumerale: Dit zit tussen het schouderblad en de bovenarm
  • Ligamentum glenohumerale: Dit zit tussen het bovenste deel van de gewrichtskom en de bovenarm. Dit ligament bestaat uit drie delen; de bovenste, de mediale en de onderste
  • Ligamentum transversum humeri: Dit ligt geheel op de bovenarm

De aanhechting van het gewrichtskapsel zit aan de buitenkant (laterale zijde) hoger dan aan de binnenkant (mediale zijde). Dit kan je zien als je je arm gestrekt langs het lichaam houdt, dan is er namelijk een uitsparing te zien.

Spieren

Twee spieren zorgen voor de stabiliteit van de schouder, de tweehoofdige bovenarmspier (muscus biceps brachii) en de rotatorenmanchet. Laatstgenoemde bestaat uit vier spieren:

  • Onderschouderbladspier (musculus subscapularis), deze loopt aan de voorzijde van het schouderblad naar de bovenarm.
  • Bovendoornspier (musculus supraspinatus), dit is de bovenste spier die aan de achterzijde van het schouderblad naar de bovenarm loopt.
  • Onderdoornspier (musculus infraspinatus), dit is de middelste spier die aan de achterzijde van het schouderblad naar de bovenarm loopt.
  • Kleine ronde armspier (musculus teres minor), dit is de onderste spier die aan de achterzijde van het schouderblad naar de bovenarm loopt.

Daarnaast zijn er twee spieren die ervoor zorgen dat de arm beweeglijk is. De eerste is de deltavormige spier (musculus deltoideus), deze spier ligt het dichtst onder het huidoppervlak, waardoor hij de contouren van je schouder mede bepaalt. De spier loopt van een deel van het schouderblad (spina scapulae) naar een deel van de bovenarm (tuberculum deltoidicum). Hij bestaat uit drie delen: bij het sleutelbeen (pars clavicularis), bij de bovenkant van de schouder (pars acromiaca) en bij het schouderblad (pars spinalis).

De andere spier die voor mobiliteit van het schoudergewricht zorgt, is de monnikskapspier (musculus trapezius), ook deze spier ligt relatief dicht onder het huidoppervlak. De monnikskapspier loopt van het bindweefsel aan de onderzijde van de schedel (linea nuchae superior) tot aan het midden van de rug.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *